Ik loop ………. op Walcheren. Door Meeloper.

Ik loop ………..op Walcheren

Vanaf de camping naar het begin van het duingebied is het nog geen 1,7 kilometer. Prima afstand om joggend op weg te gaan. Het weggetje is nog geen 6 meter breed; veel verkeer gaat er niet over; windsingels aan beide zijden. Zij bieden beschutting tegen de wind, die hier soms hard/stormachtig vanaf zee over het land raast.

Het is een uur of 10 in de morgen; de zon schijnt, de lucht is blauw, de wolken zijn wit, het is een graad of 15 en het waait hard uit het westen. Ik merk het nauwelijks, dankzij die windsingels. Zij worden gevormd door Mei- en Sleedoorn, door bramen struiken, Gelderse Roos, bramen struiken, wat rood hout en hoge grassoorten. Ik jog, groet een enkele fietser, wijk uit naar de rand van de weg als een auto voorbij komt. Na een 900 meter, het einde van de beschutting om de aansluiting voor een weggetje mogelijk te maken, krijg ik de wind vol vanaf de linker kant. Enkele tientallen meters verder begint de bebouwing van Domburg. Ik steek vervolgens de weg over die vanaf Oostkapelle naar Domburg loopt en ga verder richting het dorp. Voor het centrum van Domburg loop ik naar rechts om naar de duinen te gaan. Het duingebied op dit deel van Walcheren kent aan de landzijde eerst een deel dat bebost is, soms wel een kilometer breed. Hier, bij Domburg, beperkt het bos zich tot nog geen honderd meter. Ik loop het bos in en onmiddellijk moet ik omhoog, steil omhoog zelfs. De warming up pakt goed uit; zonder al te veel inspanning neem ik deze horde. Als ik het bos achter mij heb gelaten loop ik in een open duingebied. De boulevard laat ik links liggen en dan sta ik voor de keus: het strand of het pad door de duinen.

Er is voor beide wat te zeggen. Het is laag water, het strand is breed en vast en zeker hard genoeg om niet weg te zakken en met de wind in de rug en de zon in het smoelwerk zeker een optie. Maar ook het duinpad lonkt; over een lengte van ruim drie kilometer kan je zeven keer omhoog en even zoveel keren naar beneden. Het uitdagende zit hem vooral in de afwisseling qua hoogte. Soms kort en steil omhoog, dan weer een lange geleidelijke klim, met af en toe, om de top van het duin te bereiken, een venijnig steil laatste stukje, afgewisseld door geleidelijk lange afdalingen en steile korte. De ondergrond is veelal bedekt met schelpen, hier en daar weg gespoeld en/of gelopen met het gevolg dat het duinzand te voorschijn komt en dat maakt het tot een nog zwaarder parcours.

Het is het duinpad geworden. De weg naar het strand werd min of meer versperd door een vrij grote groep wandelaars. Zij stonden daar wat te keuvelen met de rug naar mij toe. Wilde ik er langs dan zou ik ze moeten aanroepen en dan maar hopen dat er genoeg afstand te houden viel in deze Corona tijd.
De eerste ‘beklimming’ dient zich meteen aan. Het pad, zeker een meter of vijf breed, slingert langzaam omhoog. Ik probeer het tempo wat op te voeren en dat lukt. Het voelt, vooral aan het begin van de helling, niet als onoverkomelijk. De hartslag loopt wel ietsje op, maar zeker niet zodanig dat het happen naar adem wordt. Totdat op de laatste 20 misschien 30 meter het gehele lichaamsgestel op de proef wordt gesteld. Boven hijg ik stevig, werp een blik naar links, een prachtig uitzicht over het strand en de zee, om vervolgens met de rem erop rustig aan de afdaling te gaan beginnen. Links en rechts duindoorn, tussen het grijsgroene langwerpig blad steken de oranje bessen mooi af. Geen mens te bekennen; wat kan me gebeuren. Ik loop en geniet van de natuur. Een steile klim wordt de volgende opgave. Ik moet aan de bak en stevig ook. Dat ik bovenbenen heb, ontgaat me niet. Ik laat me niet kisten en probeer het tempo erin te houden. Eenmaal boven is er een paar tientallen meters een vlak stuk. Tijd om de blik naar rechts te richten; een prachtig uitzicht over het landschap; weilanden, akkers, bossages, een boerenhof, een kerktoren en zelfs enkele hoge kranen van de haven van Vlissingen.

Niet treuzelen, maar lopen, dat is het devies. Nadat ik zeven keer boven ben geweest, de ene keer met wat meer inspanning dan een andere keer, en ik op weg ben naar het laatste duindal heb ik de keus, linksaf naar het strand of naar rechts afbuigend naar het fietspad door het bos aan de voet van de duinen. Ik voel me goed, het strand en de zee hebben aantrekkingskracht, dus naar links. Ik neem de overgang naar het strand niet zonder moeite. Het ziet er zeker niet steil uit, maar het voelt wel als zodanig. Behoorlijk hijgend kom ik boven om aan de afdaling naar het harde gedeelte van het strand te beginnen. Dat is geen onverdeeld genoegen. De voeten zakken diep weg in het rulle zand met het gevolg dat het ook nog in de schoenen terecht komt. Dat voelt niet erg prettig, maar het heeft ook geen enkele zin om de schoenen te legen. Ik strompel, enigszins potsierlijk slingerend met het bovenlichaam en vooral met de armen om niet te vallen, naar de waterlijn. Als ik op het wat vlakker gedeelte van het strand ben aangekomen, zak ik niet meer tot aan de enkels weg. Na nog een meter of 20 is de ondergrond al hard. Zand in de schoenen, het kan me niet ontgaan, veel last heb ik er ook weer niet van. Ik loop nog wat meters dichter naar zee om dan evenwijdig aan de zee- en kustlijn mijn missie te vervolgen. Het zonlicht speelt met het water, het schuim van de golven wordt intens wit, het natte zand blinkt. Het is een groot genoegen hier te kunnen lopen. Gedachten schieten heen en weer door het hoofd. ‘Gedachten zijn vrij, geen mens kan ze maken en geen jager ze raken’, het is een gedeelte van de tekst van een liedje dat we, toen de basisschool nog lagere school was, in de klas hebben gezongen. Hard lopen werkt louterend op het denken. Gedachten waar je ’s nachts piekerend wakker van ligt, verworden tot een luchtigheid, zodanig dat je je afvraagt waar je je druk over hebt gemaakt. Problemen worden onder het lopen tot oplosbare proporties terug gebracht.

Ik vermaak me met de strandlopertjes, die nog op zoek zijn naar wat voedsel en die lijken te spelen met het steeds weer aanstormende water. Ze zijn er nog, voordat ze naar warmere streken verhuizen om te overwinteren. Met de wind in de rug en de zon schuin van voren en geen mens te bekennen is het goed toeven. Ik vorder ongemerkt in de veronderstelling dat er ergens nog wel een duinovergang is die mij naar een voet-, fietspad of een of andere weg brengt vanwaar ik huiswaarts kan keren. Ik tuur het duin af en heb dan niet in de gaten dat ik mijzelf opsluit; links de zee en voor mij een gevulde slenk die vanaf zee een eind het strand op kronkelt. Te breed en te diep om zonder natte poten het droge zand te bereiken. Ik loop nu terug en volg de slenk tegen de wind in, in de hoop dat ik binnen afzienbare afstand kan oversteken. Het duurt me te lang, ik waag het erop, een sprong, het water spat op als ik neer kom. Een kletsnatte voet en dat voelt lekker met zand. Het is niet anders en terwijl ik mij omdraai en weer met de wind in de rug mijn weg wil vervolgen, ontwaar ik een smal paadje dat het duin in verdwijnt. Ik worstel mij eerst door het mulle zand en vervolgens het duin op. Boven heb ik overzicht. Het pad brengt mij bij een voetpad en zo te zien kan ik dan naar links of rechts. Daar aangekomen ga ik naar rechts. Wind tegen, de eerste honderd meter weinig beschutting, daarna het bos. En dat is maar goed ook. Vermoeidheid is mijn deel geworden en ik schat dat het zeker nog een achttal kilometers zal zijn voor ik in de buurt van de camping ben. Dat komt er ook van; gemakkelijk lopen, wind in de rug, een heerlijk zonnetje in een schitterende ambiance. Ik had de wereld wel uit kunnen lopen.

De kiezen op elkaar, rechtop en niet zeuren. Bomen, bomen en nog eens bomen. Ik probeer wat afleiding te vinden, maar dat is moeilijk in zo’n bos. Eiken, beuken, essen, esdoorns, soms een struik met wat hulst en dat is het wel zo’n beetje. Gelukkig zijn er mensen; op de fiets, met een hond, daarmee verdwijnt de vermoeidheid niet. Hier een pijntje, daar ook een, het lijkt alsof het steeds erger wordt. Het pad is breed, recht, heel lang en goed te overzien. In de verte, midden op het pad, ontwaar ik iets ongewoons. Dat geeft afleiding. Er staat een damhert met een kalf. Ik ben er en heel eind vandaan en ik loop onder de wind; ze hebben ogenschijnlijk niets in de gaten. Ze blijven staan en kijken om zich heen. Ze zijn schijnbaar niet bang. Naarmate ik dichterbij kom doen ze wel een paar stappen opzij in de richting van de beschutting van het bos. Ze steken de grasrand van zo’n tien meter over en blijven opnieuw staan. Ik nader tot op een dertig tal meters. Ze blijven kijken, ik minder wat vaart, nog blijven ze staan. Ook als ik ze voorbij loop.
Ik prijs me gelukkig dat ik zo van dichtbij deze dieren heb kunnen aanschouwen. Het geeft me geen vleugels, maar het verzacht mijn pijn.

Uiteindelijk bereik ik mijn tijdelijk ‘thuis’ en omstandig vertel ik aan iedereen die het horen wil, en dat zijn er nogal wat op zo’n camping, wat ik onderweg heb gezien.

Meeloper

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.